|
|
De ontwikkeling van de schilderijen die ik maak sinds 1968 is te vergelijken met: Ouroboros, de slang die in zijn eigen staart bijt.
Het werk is in te delen in drie periodes.
November 1972 voltooi ik De drie Marguerites. De kennismaking met een poëtische waanwereld, die vooral wordt beïnvloed door de literatuur. Tien jaar lang zal Alice in Wonderland van Lewis Carroll mijn werk domineren. Zij vertegenwoordigt in die periode in toenemende mate mijn alter ego, dat in een heldere, klassieke vormgeving van surrealistische ensceneringen de zogenaamde werkelijkheid probeert te relativeren.
Begin jaren tachtig neem ik afscheid van Alice. De schilderijen worden expressionistischer en complexer van karakter. Zij vormen de vensters op een hermetisch universum van diverse gelaagdheden, waarin naast de literatuur vooral de kunstgeschiedenis een regelmatig terugkerende inspiratiebron blijkt te zijn.
In Waiting for the Barbarians (2002-2004) keert Alice uiteindelijk terug. Vol berusting en melancholie manifesteert zij zich in een wereld die naadloos aansluit bij de atmosfeer van de schilderijen die dertig jaar geleden ontstonden. Zij ontmoet daar Pinokkio, de vertegenwoordiger van de leugen, in het Neverland van Peter Pan. Een onmiskenbaar gevaar dreigt in de bosjes van het verloren kinderparadijs.
In essentie zie ik mijzelf als makelaar in luchtspiegelingen. Maatschappelijke relevantie is mij vreemd. Maar soms is de werkelijkheid dermate gruwelijk, dat ik de poëtische snaar die zich diep in de kelder van mijn hart bevindt, wel moet beroeren. Tot troost en vermaak. Dit is de opdracht die ik mijzelf heb gesteld in dit kwetsbare leven, dat ik ondanks alles toch als een wonder beschouw.
Arie van Geest
25 augustus 2005
Fragment uit een brief aan Olphaert den Otter
....
Vandaag ben ik serieus gestart met het vervolg van de schilderijenserie: Pieces of the sky. Een serie die ik begon niet lang na het uitbreken van de crisis die onze wonderlijke wereld nu al bijna een jaar teistert.
Veel verworvenheden van illustere voorgangers bevolken het picturale niemandsland waaraan ik nu al zo'n negen maanden werk. Een universum waarin de meest uiteenlopende begrippen voorkomen: galjoenen, landschappen, handvervaardigde pentekeningen, gebroken spiegels, gehandicapte apen, grijnzende katers met en zonder lichaam, infantes, interieurs zonder elektriciteit, zinkende oceaanstomers, contorsionisten, ja zelfs het beloofde land is niet veilig.
Alles is bruikbaar om te worden opgenomen in mijn diamantaire wereld die vele zijkanten blijkt te hebben.
Mijn arme geest mag zich dan wel regelmatig in een wanhopige staat bevinden, zij is niet leeg en hol.
De absentia die nobele gemoedstoestand viert er hoogtij en het verlangen om de meest onmogelijke zaken met elkaar te verzoenen c.q. te verenigen blijft het hoofdmotief van mijn vaak schizofreen aandoende acties.
Een geschilderde hedendaagse voorstelling waarop de onschuld zichtbaar triomfeert en waar het tijdelijke lijkt te zijn vervangen door het eeuwige, dat is het doel waarnaar ik streef.
Ik ben zelf de traditie, verscholen in de verflagen van de door mij vervaardigde schilderijen.
Een picturaal Fernando Pessoa heteroniem.
Pessoa die ooit beweerde:
Ik ben niets
ik zal nooit iets zijn
ik kan ook niet iets willen zijn
afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.
Pessoa die een literaire ontsnappingsstrategie ontwikkelde. Die het mysterie van het leven wilde elimineren door het te ontkennen. Die alles wilde zien alsof het voor de eerste keer was.
Wat moet ik daar aan toevoegen, beste Olphaert?
Niets dus, hier past alleen een eerbiedig zwijgen.
Een picturaal heteroniem dus; onzichtbaar voor ieder mensenoog. Iedere keer weer in een andere vermomming.
Vroeger speelde de door Lewis Carroll gefotografeerde meisjes de hoofdrol in mijn werk. De laatste jaren vormen vrouwen, dat onoplosbare raadsel, een telkens terugkerend motief in mijn schilderijen. Recentelijk keerde John Tenniel's Alice in optima forma terug.
Wanneer ik collega's uit een ver of dichterbij liggend verleden nodig heb om de essentie van mijn visie voor het voetlicht te krijgen, ben ik meedogenloos en steel ik onbeschaamd waar er valt te stelen.
We zijn allemaal kinderen van een vader, nietwaar?
Dus Giovanni Bellini, Francisco Zubarán, Pieter de Hoogh, Willem van de Velde, de Jonge, Pyke Koch, René Magritte, Diego Velàsquez, John Tenniel, R.B. Kitay, Mary Ellen Mark en Pieter Bruegel.
Zij allen worden nederig bedankt voor hun picturale voorwerk, dat mij een opening verschafte binnen te treden in het verwoeste Arcadië van deze tijd. Een graaicultuur vol gebroken spiegels, waar de oppervlakkigheid welig tiert.
In dat Speranza van de schilderkunst, in dat ballingsoord is eigenlijk alleen maar plaats voor mijn 6-jarige, uiterst elegante en met vele talenten begenadigde kleindochter, prinses Moana.
Zij is de eigenaresse van een karakter waar altijd de zon schijnt, de regelrechte reïncarnatie van Alice in Wonderland.
Zij hult zich in de purperrode mantel van de onschuld en weet mij nu al jaren achtereen in een bijna permanente staat van betovering te houden. In de toekomst zal zij ongetwijfeld tot koningin van Egypte worden gekroond.
Zij die het recht van spreken over alles bezit, maar zwijgt als het graf. Geen onvertogen woord komt over haar lippen, omdat de lieve Heer, die ver achter de blauwe hemel woont, haar wijsheid en beschaving heeft meegegeven.
Zij is mijn enige echte baken in de verder uitzichtloze poel van ellende.
Bijna dagelijks is zij er de oorzaak van dat ondanks alles wat ik mee moet maken in dit ondermaanse tranendal er toch zo nu en dan een heel klein drempeltje van hoop c.q. speranza ontstaat in het spokenhotel dat diep in het binnenste van mijn zo beklagenswaardige nevelbrein verscholen ligt.
The child is the father of the man, dat is één van de redenen waarom ik me nu al zovele jaren door Alice in Wonderland laat inspireren.
Arie van Geest,
19 mei 2009
|
| |
|